In vastgelopen projecten wordt veel gesproken
Er zijn overleggen, actielijsten, bestuurlijke tafels, memo’s en één-op-één
gesprekken. Agenda’s raken voller, analyses uitgebreider, besluiten urgenter.
En toch gebeurt er soms iets merkwaardigs:
alles beweegt, behalve het project zelf.
Niet omdat mensen niets meer zeggen.Maar omdat er ergens in het gesprek iets is gebeurd
waardoor nieuwsgierigheid langzaam plaatsmaakte voor oordeel.
Dat moment herken je vaak pas achteraf.
Iemand zegt:
“Met hen valt niet te praten.”
Of:
“De gemeente vertraagt altijd.”
Of:
“De ontwikkelaar drukt gewoon zijn zin door.”
Of:
“De corporatie weet zelf niet wat ze wil.”
Op het eerste gezicht lijken het gewone opmerkingen.
Soms zit er zelfs een kern van waarheid in.
Maar in projecten waar spanning oploopt, functioneren zulke zinnen zelden als
observatie. Ze worden een conclusie.
En zodra dat gebeurt, verandert ook het gesprek.
Van onderzoeken naar verdedigen
Ik zat ooit in een overleg waarin iemand halverwege zei:
“Ze gaan hier toch nooit verantwoordelijkheid nemen.”
Vanaf dat moment veranderde de inhoud van het gesprek nauwelijks.
Maar de manier van luisteren veranderde volledig.
Mensen gingen uitleggen. Nuanceren. Voorzichtiger praten.
Vragen werden minder onderzoekend en meer controlerend.
Stiltes werden langer.
De energie verschoof van samen begrijpen naar jezelf positioneren.
Dat gebeurt vaker dan we denken.
Want zodra iemand niet meer wordt gezien als iemand met een belang, een zorg
of een beperking, ontstaat er een ander beeld. Dan wordt iemand:
Een remmer. Een drammer. Een twijfelaar. Een dwarsligger.
En zodra mensen een label krijgen, verdwijnt nieuwsgierigheid bijna vanzelf.
Waarom oordelen zo aantrekkelijk zijn
Dat maakt oordelen ook zo verleidelijk.
Ze brengen overzicht in ingewikkelde situaties.
Als ik concludeer dat:
“zij gewoon niet willen,”hoef ik niet meer te onderzoeken welke onzekerheid nog meespeelt.
Als ik denk:
“hij vertraagt altijd,” hoef ik niet meer te vragen wat er nog ontbreekt om verder te kunnen.
Een oordeel geeft snel duidelijkheid.
Maar precies daardoor stopt vaak het onderzoek waar beweging had kunnen
ontstaan.
De nuance verdwijnt. De spanning achter het standpunt verdwijnt. De zorg achter de reactie verdwijnt.
Wat overblijft, is een beeld van elkaar dat steeds moeilijker nog ter discussie komt te staan.
Van waarneming naar conclusie
Opvallend genoeg begint dit proces meestal heel feitelijk.
Een besluit wordt drie keer doorgeschoven.
Een partij reageert laat.
Een ontwerpwijziging komt onverwacht terug op tafel.
Dat zijn waarnemingen.
Maar onder druk gaat de stap van waarneming naar conclusie vaak razendsnel.
“Het besluit is drie keer doorgeschoven”
wordt:
“Ze durven daar geen verantwoordelijkheid te nemen.”
“De stukken kwamen laat”
wordt:
“Ze hebben hun proces niet op orde.”
“Er komt opnieuw een wijziging”
wordt:
“Ze weten zelf niet wat ze willen.”
En daarmee verandert fundamenteel wat nog mogelijk is in het gesprek.
Want een feit kun je onderzoeken.
Een oordeel moet je verdedigen of bestrijden.
Het oordeel in nette projecttaal
In professionele omgevingen klinken oordelen zelden hard.
Het komt meestal zorgvuldig verpakt.
“Er ontbreekt eigenaarschap.”
“De governance is nog niet volwassen.”
“De betrokken partijen zijn onvoldoende aangehaakt.”
“De organisatie is nog niet klaar voor deze stap.”
Soms zit daar inhoudelijk iets waars in.
Maar de belangrijkere vraag is:
opent zo’n zin het onderzoek?
Of sluit hij het af?
Dat verschil is groter dan het lijkt.
Niet:
“De opdrachtgever is niet besluitvaardig.”
Maar:
“Welke zekerheid ontbreekt nog om dit besluit te kunnen nemen?”
Niet:
“De gemeente vertraagt.”
Maar:
“Welk risico maakt dit besluit ingewikkeld?”
Niet:
“De corporatie weet niet wat ze wil.”
Maar:
“Welke spanning zit er tussen de woonambitie, de financiële ruimte en de
plek die ontwikkeld wordt?”
De eerste formulering zet mensen vast.
De tweede maakt onderzoek weer mogelijk.
Oordeel creëert afstand
Mensen voelen meestal feilloos wanneer er al een oordeel in de ruimte hangt.
Ook als niemand het letterlijk uitspreekt.
Het zit in toon.
In timing.
In woordkeuze.
In vragen die formeel open zijn, maar eigenlijk al een conclusie bevatten.
“Waarom hebben jullie dit nog steeds niet geregeld?”
“Wanneer gaan jullie nou eindelijk eens leveren?”
“Snappen jullie wat dit betekent voor de planning?”
Vanaf dat moment verschuift er iets.
Mensen gaan zichzelf beschermen.
Voorzichtiger formuleren.
Minder hardop denken.
Niet omdat ze onwillig zijn,
maar omdat denken risico krijgt zodra verdedigen belangrijker wordt dan onderzoeken.
De beweging terug
Oordelen verdwijnen niet doordat mensen vriendelijker gaan praten.
Ze verliezen hun greep wanneer het weer mogelijk wordt om preciezer te kijken.Want onder een oordeel zit meestal iets reëels.
Een zorg. Een frustratie. Een behoefte. Een grens.
Achter
“zij vertragen” kan behoefte aan tempo zitten.
Achter
“hij drukt door” kan behoefte aan zorgvuldigheid zitten.
Achter
“met hen valt niet te praten” kan behoefte aan erkenning zitten.
Daarom probeer ik in dit soort gesprekken steeds terug te gaan naar drie eenvoudige vragen:
- Wat hebben we feitelijk gezien?
- Wat maken we daarvan?
- En wat ontbreekt er nog om verder te kunnen?
Dat klinkt eenvoudiger dan het is.
Zeker in projecten waar de geschiedenis voortdurend meepraat.
Waar eerdere teleurstellingen, afhankelijkheden, tijdsdruk en gezichtsverlies steeds aan tafel blijven zitten.
Juist daar wordt oordeel verleidelijk.
En juist daar vraagt een gesprek meer aan precisie dan aan scherpte.
Waar het gesprek stopte
In vastgelopen projecten luister ik daarom scherp naar oordelen.
Niet om ze meteen te corrigeren,
Maar omdat ze vaak precies aanwijzen waar het gesprek smaller is geworden.
Waar mensen zijn gestopt met vragen stellen.
En opvallend genoeg ontstaat beweging vaak precies daar weer opnieuw.
Niet groot.
Niet spectaculair.
Maar iemand durft weer hardop te twijfelen.
Iemand stelt weer een echte vraag.
Iemand schuift zijn stoel weer iets naar voren.
Projecten lopen zelden alleen vast op planning, geld of besluiten.
Vaak lopen ze vast op beelden die mensen van elkaar zijn gaan maken.
En soms is één goede vraag al genoeg om zo’n beeld weer een beetje open te
breken.
Misschien blijft daarom uiteindelijk vooral deze vraag over:
Waar ben jij gestopt met vragen stellen?
Joop Mommers













